Tramjargon
Geheugen van de Amsterdamse tram

Een greep uit het Amsterdamse tramjargon

A

 
Abattoirlijn: bijnaam voor lijn 6 i.v.m. met de toenmalige route naar het abattoir.
Aapjeslijn: bijnaam voor lijn 15 omdat deze naar Artis reed.

B

 
Band: met het toezicht belaste chefs droegen een uniformjas met een "band" om de mouw. Dienstdoend trampersoneel dat collega's waarschuwde voor chefs langs de lijn deed dat door cirkelvormige handbewegingen rond hun mouw te maken.
Bijenkorfje pikken: rit naar het CS inkorten tot de lus die in vroeger jaren aanwezig was in de Beursstraat / Beursplein om vandaar naar het Rokin terug te keren. De keerlus begon op het Damrak (uit beide richtingen, later alleen nog uit de richting Dam) en liep via Beursplein en Beursstraat naar de Dam, dus onder De Bijenkorf door.
Blauwe wagen: Vanaf 1929 kwam een geheel nieuw tramtype in dienst dat was doorontwikkeld op eerdere tramtypen. Deze motorwagens waren langer dan hun voorgangers en hadden vier zijruiten. De balkons waren daarentegen weer korter dan die van de Grootbordessers. De vijftig door Werkspoor in 1929-1930 gebouwde motorwagens hadden een elektrische installatie van AEG of Siemens en kregen de nummers 396-445. Zij kregen als eerste trams een lichtere blauwe kleur met een grijze raampartij, in plaats van het donkerblauw met gelakte zijpanelen en deuren dat tot dan toe gebruikelijk was. Daarom werden de nieuwe trams Blauwe wagens genoemd.
(Wikipedia)


pentekening Jos Wiersema

Blokken: Dit zijn de electro-magnetische railremmen. Deze worden in werking gesteld d.m.v. een pedaal. Door gebruik te maken van de railremmen kan er een noodstop gemaakt worden. De bestuurders spreken dan van "blokken trappen". Als er een noodstop gemaakt wordt, is dit voor de passagiers niet zo comfortabel, want veiligheidsgordels zitten er niet in de tram. Echter, in de blauwe wagens en de Utrechtenaren was er geen railrempedaal maar een railremhefboom die met de hand bediend werd.
(Jos Frederiks en Cor Fijma)
Boerenkoollijn: bijnaam voor lijn 1: na zijn verlenging naar het Hoofddorpplein in 1929 werd deze lijn wel zo genoemd, omdat dat eindpunt zo dicht bij het toenmalige tuinbouwgebied ten westen van de Westlandgracht lag.  
(Cees Pot)
Bokkie maken: hard remmen om de passagiers te bewegen vooral door te lopen in de wagen. Toen er railremmen kwamen ook wel "blokken" genoemd. In Amsterdam werd altijd gesproken van "blokken" als "railremmen" bedoeld werden.
Bollenveld: vroegere eindpunt van lijn 17 op het Surinameplein.
(Jos Frederiks)

D

 
Dronkemanslijn: bijnaam voor lijn 17 i.v.m. de vele dronken passagiers
Doofstommenlijn: bijnaam voor lijn 19 i.v.m. de slechte manieren die het publiek daar toonde.

E

 

Eenmanswagen:

In 1921 werd een geheel afwijkende serie van vijf motorwagens geleverd door door de Duitse fabriek Linke Hoffmann, met een elektrische installatie van Bergmann. Deze wagens, met de nummers 391-395, waren de eerste eenmanwagens (EMW) in Amsterdam en speciaal bestemd voor kringlijn 22 om het Centraal Station, die dat jaar was ingesteld. In navolging van deze trams werden nog tientallen Unions verbouwd tot eenmanwagens. Vanaf de jaren dertig reden de Bergmann-wagens op lijn 18 naar Sloterdijk, tot de opheffing in 1951. De 393 werd nog als proef verbouwd tot eenrichtingwagen met gemoderniseerd front. In 1954 werd de gehele serie afgevoerd.
(wikipedia)


Bergmann 392 als EMW
pentekening Jos Wiersema


Union 65 als EMW
uit de verzameling van Wim van Ingen

Elektronische wagens:

Na de serie 635 - 669 kwam de serie 670 - 724. Die werd voorzien van een geheel elektronisch stuurstroomsysteem. Dit bediend door een klein knuppeltje, dat door de bestuurder ineens helemaal naar voren kon worden bewogen, waarna de acceleratie volledig automatisch geschiedde. Dit systeem was ook voorzien van een antislipinstallatie. Voorloper van het ABS dus. Deze wagens werden de elektronische wagens ook wel elektronen genoemd. Dit is de serie 670 - 724. Deze trams bestaan overigens allang niet meer.
(Jos Frederiks)

de 709 is als museumstuk bewaard. (red.)

G

 

Glijers:

bijnaam voor de 230-235; deze hadden de neiging bij het remmen te gaan glijden, de schrik van iedere trambestuurder. De wagens wisselden dan ook nogal eens van lijn omdat ze bij bestuurders niet populair waren.

I

 

Inrukken:

"Inrukken" is het naar de remise terugkeren van trams. Dus het tegengestelde van inrukken is "uitrukken".

J

 

Jeruzalemexpress:

bijnaam voor lijn 25, die nu Amsterdam Zuid met het centraal station verbindt, ging in 1930 van start. Voor de oorlog stond hij bekend als de Jeruzalem Expres, omdat hij gebruikt werd door de joodse bewoners van de Rivierenbuurt.

Jodenlijntje:

bijnaam voor lijn 8; deze reed, voor en deels tijdens de oorlog, van Zuid, waar de rijke Joden woonden, naar de Nieuw Marktbuurt, waar de armlastige Joden woonden. De route van lijn 8 is onder andere in 1943 gebruikt voor de deportatie van Joden naar de NS-stations vanwaar naar kamp Westerbork werd gereden. Officieel is lijn 8 op 9 juli 1942 opgeheven omdat dat de bezetter de Joden verbood van het openbaar vervoer gebruik te maken. De deportatietrams reden immers slechts tijdens uren waarop geen regulier tramverkeer bestond en de kosten van deze nachtelijke diensten werden gedeclareerd bij de opdrachtgever, dus de "Zentralstelle".

K

 

Knoflookexpress:

bijnaam voor lijn 13; vanwege het hoge percentage aan Indische klanten van deze lijn. Deze naam komt voor in een artikelenreeks over Amsterdamse tramlijnen, die in 1958 in "Ons Amsterdam" verschenen is onder de titel "Tram en stadsontwikkeling".
(Cees Pot)

Koffiewagen/-dienst:

dit was een dienst op een lijn die begon vanuit de remise tussen 15:00 en 16:00 uur en eindigde weer in de remise rond 22:00 uur.
(J.Baan)

L

 
Lange lummel: bijnaam indertijd voor lijn 3; in verband met de lengte van het traject Javanplein - Centraal Station.
(Cees Pot)
Lage blauwen: wagens 396-445, dus de oorspronkelijke 50 blauwe motorwagens, aanvankelijk gewoon "blauwen" genoemd omdat zij de eerste wagens waren in de nieuwe blauwe kleur. Toen de dertig bijwagens 901-930 waren veranderd in motorwagens 446-475 ging men van de hoge en de lage blauwen spreken. Op de foto de rechter tram.

© C. Pot

Lijn 101: De spotnaam voor lijn 6 in het begin van de twintigste eeuw; de 0 staat daarin voor het aantal passagiers dat in de wagen had plaatsgenomen en de beide enen duiden op wagenbestuurder en conducteur.
(Cor Fijma)
Loopwagens: Toen er meer en meer trams kwamen waarin de conducteur een zitplaats had in een loge, ontstond de benaming "loopwagens" voor de vooroorlogse trams waarin de conducteur lopend zijn werk deed. Met het afvoeren van de laatste "blauwe wagens" in 1968 verdween de laatste loopwagen.
(Jos Frederiks)

P

 
Pelikanen: In de jaren 30 werd er "gepelikaand". Er moest sneller gereden kunnen worden om wagens uit te sparen om het dienstbetoon te verhogen. Om dit per lijn te onderzoeken werden ervaren bestuurders op die lijn ingezet om na te gaan of er op verantwoorde wijze sneller kon worden gereden. "Is er bij jullie al gepelikaand?", was dus de vraag. Het woord "pelikanen" is ontleend aan de snelle vlucht van het toenmalige KLM-vliegtuig met de naam "Pelikaan" naar Batavia.
Het sneller rijden betekende ook het einde van de meeste bijwagendiensten en het begin van klachten van de passagiers over ruw rijden. Het schrappen van bijwagendiensten maakte het mogelijk 45 bijwagens te verbouwen tot snelle motorwagens (446-490).
Pitwagen: laatste wagen van de dag die de volledige rit naar het andere eindpunt maakte. Er werd een rode schijf voor de koplamp gezet, aangeduid als "De Pit". Ook de gelede wagens kenden nog "de pit": de woorden "laatste rit" op een rode ondergrond op de richtingfilm.
Plakkenlijn: bijnaam voor lijn 5; een plak is een 2 1/2 cent-stuk; de klanten van lijn 5 waren kennelijk vroeger nogal vrijgevig.
(Cees Pot)
Potwagen: Deze bracht het personeel 's-morgens en 's-avonds naar hun werk cq de remise of zo dichtmogelijk naar hun woonadres.
(C.J. vd Ploeg)
De "pot" was de naam voor het voorwerp waarin personeel dat van de potwagens gebruik maakte een bijdrage kon storten voor de collega's die zo vriendelijk waren op de potwagen dienst te doen. In 1957 zijn de pottrams vervangen door "potautobussen" omdat steeds meer personeel woonde in buurten die voor de tram niet bereikbaar waren. Slechts een enkele maal hebben daarna nog pottrams gereden, bijvoorbeeld bij gladheid.
(Cor Fijma)


foto uit 1932
 

R

 
R-schijf: wagens die naar de remise reden, voerden een metalen plaat op de koplamp waarin de letter "R" was uitgespaard. De drieassers en de gelede wagens voerden geen R-schijven, maar de tweeassers bleven dat doen.
Radwagen: De eerste serie geledewagens 551-575 waren oorspronkelijk uitgerust met een gangknuppel om de tram te laten accelereren c.q. af te remmen. Bij dat systeem hoorde een z.g. Servomotor. Toen de wagens enkele jaren in dienst waren, gingen die servomotoren kapot, maar nieuwe werden er niet meer gemaakt. Het Servosysteem werd daarop vervangen door een "gangwiel" (rad), zoals bij de drieassers. Radwagens dus.
(Jos Frederiks)
Retenkrabber/-veger: bijnaam voor werklui, die voor de komst van de railreinigers, met een haak het vuil uit de rails krabden.
(Cees Pot)
Ook bleven zij dat doen na de komst van de railreinigers. De railreinigers dienden voor reiniging van wisselloos spoor. De wissels werden altijd gereinigd en gesmeerd door werklieden die in latere jaren met automobielen van de wegdienst de wissels bezochten. Ik heb nog eens in de jaren zestig met een van die werklieden in de avonduren alle wissels in het oostelijk stadsdeel nagereden. Ook hoorde je wel de aanduiding "retenveger" naast "retenkrabber" gebruiken.
(Cor Fijma)


fragment foto Tom Mulder

S

 
Stoeltjeswagens: de serie 301-320 stonden als "stoeltjeswagens" bekend. Een in 1910 door Werkspoor gebouwde serie bijwagens werd in 1914 tot motorwagens verbouwd. Omdat zij in afwijking tot de overige trams, die langsbanken hadden, over omklapbare dwarsbanken beschikten, werden zij Stoeltjeswagens genoemd. Zij deden dienst tot 1950 en werden afgevoerd tot 1956. Een motorwagen bleef bewaard als museumwagen, de 307.
(wikipedia)
Ook de serie 'Glijers' 230-235 had omklapbare dwarsbanken, net als de 'Vlooienwagens' 13-14. Deze series zijn echter nooit stoeltjeswagens genoemd.
(Marc van Deventer)

Stuurstroomwagens: Bij de eerste series gelede wagens werden de weerstanden die de motoren geleidelijk van stroom te voorzagen, langs mechanische weg kortgesloten. Bij de latere series gebeurde dat elektrisch, de weerstanden werden dus bediend door een stuurstroom. De eerste wagens waarbij dit gebeurde was de serie 635 - 669. Daarom kregen die de naam stuurstroomwagens. De stuurstroomwagens zijn bijna allemaal al lang geleden gesloopt.
(Jos Frederiks)

de 665 is als museumstuk bewaard. (red.)

U

 
Unions: Raab leverde ook de serie 'oerunions' 15-38 en Schuifaswagen 39. Daarmee had Raab dus het grootste aandeel in de levering van in totaal 215 tweeramers met union-installatie. Werkspoor leverde de serie 40-49 en 156-179 en Van der Zypen en Charlier de serie 180-229.
De drie leveranciers hadden elk hun eigen manier van bouwen - in het uiterlijk en constructie zijn er daardoor grote verschillen tussen de series, waardoor ze makkelijk te onderscheiden zijn.
De naam Union was in sierlijke letters in de dekplaat van de schakelkasten gegoten - een bijnaam is dan snel geboren. Bij de serie 180-229 is de naam Keulenaren echter ontstaan - naar de herkomst van de wagens. Overigens hadden ook de wagens 13-14 een Unioninstallatie - doch kregen niet de naam Union.
(Marc van Deventer)

Utrechtenaar: de "Utrechtenaar" is door de gemeente Amsterdam in 1939 aangekocht van de gemeente Utrecht. In deze gemeente werden de tramlijnen opgeheven. Het betrof een serie van 12 motorwagens uit 1927. Ze kosten destijds 1000 gulden per stuk en verkeerden in prima staat. Ze hebben in Amsterdam tot 1961 dienst gedaan op lijn 5.


pentekening Jos Wiersema

V

 
Vlooienwagen: bijnaam voor de wagens 13 en 14 hadden een stoffen bekleding op de banken. Maar er waren in die tijd nogal wat lieden die weinig begrip van hygiëne hadden.
Vogelkooitje: bijnaam voor de bijwagens van serie 881-900 met middenbalkon waarin de conducteur als het ware heen en weer hipte van het ene naar het andere compartiment. De wagens 931-950 waren ook zo ingericht, maar die werden nooit als 'vogelkooitjes" aangeduid.

Vogelkooitje
pentekening Jos Wiersema

W

 
Wachtwagens: In 1964 zijn "wachtwagens" ingesteld. Op de Prins Hendrikkade werden tramstellen en losse motorwagens geplaatst die bij vertraging op de lijnen die het Centraal Station aandeden konden invallen op die lijnen. Enkele jaren geleden zijn de wachtwagens wegens bezuinigingen opgeheven."
(Jos Frederiks)
Later stonden ook wachtwagens op het Surinameplein..
(J.Baan)

Z

 
Zand trappen: Als de rails glad waren door vochtaanslag of door vallende bladeren konden de wielen hun greep op de baan kwijt raken en begon de tram te glijden. Om dit te voorkomen kon voor de wielen zand gestrooid worden, door op een pedaal te trappen. Door de bestuurders werd dit "zand trappen" genoemd.
(Jos Frederiks)
Zuchters: bijnaam voor de eerste serie LHB (Linke, Hoffmann, Busch) wagens 725-779, de 8G wagens hadden een handrem, die bij een snelheid van minder dan 8 km p.u automatisch vast sloeg. Dat ging gepaard met een kort hard sissend geluid. Als van een diepe zucht dus. Overigens was dit niet de beste serie trams die in Amsterdam heeft gereden. Ze waren zeer storinggevoelig en zijn dan ook al lang verdwenen.
(Jos Frederiks)

(Oud-)personeel GVB; weet u meer Amsterdams tramjargon?
Mail naar corfijma@amsterdamsetrams.nl

laat een berichtje achter

omhoog

 

Hit Counter

eXTReMe Tracker